FAQ

RINAS

  1. Is het mogelijk om meerdere versies van een inrichting in RINAS te beheren, zodat ik meerdere varianten kan doorrekenen?
  2. Waar kan ik het gehanteerde rente- en inflatiepercentage zien op de doelvermogenrapportage?
  3. Waar kan ik het van toepassing zijnde nazorgjaar zien op de doelvermogenrapportage?
  4. Hoe wordt omgegaan met de in RINAS en de checklist opgenomen minimum en maximum prijzen?
  5. Voorziet de checklist en RINAS in het herstel van de doorvoeringen door de bovenafdichting als gevolg van het verwijderen van de gasbronnen nadat de actieve en/of passieve onttrekking is beëindigd?

Risicomodel

  1. Er wordt wel eens als kritiek geuit dat het risicomodel kans op kans stapelt, met als gevolg dat het risicobedrag te hoog wordt ingeschat. Is dat juist?
  2. Waarom is een indeling in termijnen in het risicomodel nodig?
  3. Een maatgevende gebeurtenis kan tijdens de nazorgfase meerdere keren optreden. Mogen de herstelkosten hiervan dan bij elkaar worden opgeteld?
  4. Er is sprake van externe factoren waarop de huidige stortplaatsexploitant nu geen invloed kan uitoefenen. Is het reëel dit in het risicomodel op te nemen?
  5. Als een nazorgorganisatie faalt in de uitvoering is deze toch ook verantwoordelijk voor de kosten die daarvan een gevolg zijn?
  6. De grens tussen risico's en reguliere werkzaamheden is niet helder. Een aantal activiteiten zijn zowel bij reguliere activiteiten als onder de risico's terug te vinden, terwijl goede uitvoering van de reguliere werkzaamheden zou moeten betekenen dat het risico naar nihil neigt.
  7. Is onvoldoende drooglegging ook een maatgevende gebeurtenis waarvoor een risicobedrag gereserveerd moet worden?
  8. Het risicomodel gaat over een periode van 100 jaar na aanvang van de nazorg. Het rekenmodel voor de nazorgkosten gaat uit van een periode van 1000 jaar. Waarom is er dit verschil?
  9. In het risicomodel wordt rekening gehouden met locale reparaties aan de bovenafdichting. Dit is toch ook al opgenomen in de checklist?
  10. Is er voor geohydrologische isolatiesystemen een nieuwe foutenboom nodig?
  11. Waarom wordt in het risicomodel onderscheid gemaakt in drie typen onderafdichting, maar wordt voor de bovenafdichting uitgegaan van één uniforme afdichting?
  12. In de checklist wordt de mogelijkheid aangegeven tot vervroegde vervanging van de bovenafdichting. Dit is ook in het risicomodel het geval. Is dit dan een dubbeltelling?
  13. Waarop is de vervroegde vervanging van de bovenafdichting (na 80% van de levensduur) is gebaseerd en op welke wijze dient hiermee gerekend dient te worden?
  14. Indien standaard gerekend wordt met een vervroegde vervanging van de bovenafdichting lijkt het redelijk ook rekening te houden met het "positieve risico" dat de bovenafdichting een levensduur van 50 a 80 jaar heeft.
  15. Waarom wordt uitgegaan van een risico-afdekking van 95%?
  16. Zijn er vergelijkbare berekeningen uitgevoerd bij stortplaatsen en kunnen de gegevens hiervan voor iedere stortplaats worden gebruikt?
  17. Hoe komen de uitkomsten van het risicomodel tot stand?
  18. Is het juist dat de uitkomsten voor het risico-onderdeel in het doelvermogen per locatie verschillend zijn?
  19. Waar is het programma @RISK 4.5 te verkrijgen?
  20. Mag een locatiespecifieke berekening van de herstelkosten worden toegepast?
  21. Waarom wordt bij 1c (onbeheersbare verontreiniging) een bedrag van 5 miljoen gehanteerd? En kan deze gebeurtenis in bepaalde situaties buiten beschouwing worden gelaten (door de herstelkosten op 0 te zetten)?
  22. Graag een nadere uitleg over beheersbare en onbeheersbare verontreiniging
  23. Op welke wijze kan bij de berekening van basiselement 208 (verontreiniging van grondwater) rekening worden gehouden met optredende NA processen (natural attenuation)?
  24. Welke “typen” grondwaterverontreiniging kunnen ontstaan als een stortplaats geen onderafdichting heeft, maar wel een grondwaterbeheersmaatregel?
  25. Het gevolg van de basiselementen die leiden tot lekkage bovenafdichting (204) en vervanging (109) is toch sterk afhankelijk van de omvang van de lekkage die op kan treden?

Antwoorden op de vragen:

RINAS

  1. Is het mogelijk om meerdere versies van een inrichting in RINAS te beheren, zodat ik meerdere varianten kan doorrekenen?
    Ja, dit is mogelijk door een duplicaat van een inrichting te maken. U doet dit door een export te maken van een inrichting en deze dan vervolgens te importeren. Zie voor meer informatie paragraaf 3.3 van de handleiding, die u kunt downloaden vanaf de pagina RINAS. Advies: geef de varianten onderscheidende namen, bijvoorbeeld "Stortplaats A, berekening 2003" en "Stortplaats A, berekening 2004". <- terug
  2. Waar kan ik het gehanteerde rente- en inflatiepercentage zien op de doelvermogenrapportage?
    Het rente- en inflatiepercentage staat op het voorblad. Om het voorblad te drukken, vinkt u de optie "voorblad" aan op het scherm "Doelvermogen & heffing". <- terug
  3. Waar kan ik het van toepassing zijnde nazorgjaar zien op de doelvermogenrapportage?
    Het nazorgjaar staat op het voorblad. Om het voorblad te drukken, vinkt u de optie "voorblad" aan op het scherm "Doelvermogen & heffing". <- terug
  4. Hoe wordt omgegaan met de in RINAS en de checklist opgenomen minimum en maximum prijzen?
    Voor het prijsniveau van de in de checklist beschreven nazorgaktiviteiten is uitgegaan van een “model” stortplaats (ingericht overeenkomstig de richtlijnen van het stortbesluit). Bij de kosten van deze aktiviteiten is in de checklist en RINAS een minimaal en een maximaal bedrag vermeld. Deze bandbreedte is gebaseerd op ervaringen bij adviesbureaus, stortplaatsbeheerders en aannemers. Voor de provincie is deze bandbreedte een hulpmiddel bij het bepalen van het doelvermogen. In het nazorgplan dienen de nazorgaktiviteiten locatiespecifiek te worden beschreven met daarbij de te verwachten kosten. Bij deze kosten dient voor iedere individuele activiteit te worden uitgegaan van het gemiddelde van het minimale en maximale bedrag voor die betreffende activiteit wanneer er sprake is van een “model” stortplaats of wanneer er sprake is van een standaard aktiviteit zoals die normaal behoort tot een modelstortplaats. Met behulp van het nazorgplan dient de provincie het doelvermogen vast te stellen. Uit de informatie in dit plan dient duidelijk te worden of de stortplaats (op onderdelen) beschouwd kan worden als een “model” stortplaats, of de aktiviteiten standaard zijn en behoren tot een normale "model"stortplaats en of daarbij een passend kostenniveau is gehanteerd. <- terug
  5. Voorziet de checklist en RINAS in het herstel van de doorvoeringen door de bovenafdichting als gevolg van het verwijderen van de gasbronnen nadat de actieve en/of passieve onttrekking is beëindigd?
    Nee, het model (en derhalve ook RINAS) voorziet niet in herstel van de doorvoeringen ter plekke van de gasbronnen. De reden daarvan is dat er, gelet op gangbare praktijk, vanuit wordt gegaan dat iedere individuele gasbron is voorzien van een afsluiter. Door deze dicht te zetten wordt op een adequate wijze bewerkstelligd dat een gesloten bovenafdichting verzekerd blijft. De doorvoering op zich is immers al aangesloten op de bovenafdichting. Na beëindiging van de actieve onttrekkingsperiode wordt overgeschakeld op de passieve ontgassing. De methode van passieve onttrekking dient in het nazorgplan te worden beschreven. Standaard wordt in de checklist uitgegaan van de aanleg van compostfilters. Daartoe zullen vanuit de individuele gasbronnen in de afdeklaag (dus boven de afdichtende lagen) leidingen moeten worden gelegd (voor zover die niet aanwezig zijn, wat in een groot aantal gevallen al het geval zal zijn) naar compostfilters die op een aantal plekken op de afdeklaag (de checklist gaat uit van 1 filter per ha) aangebracht worden. Deze filters zullen na afloop van hun functioneren (de checklist gaat uit van een passieve onttrekkingsperiode van 15 jaar) doorgaans moeten worden verwijderd. Met deze verwijdering is in het model geen rekening gehouden. Waar dit aan de orde is dient men deze activiteit daarom in het nazorgplan te beschrijven en als nieuwe post in RINAS in te voeren. Als richtprijs kan worden uitgegaan van € 1250,-- per te verwijderen filter. In deze prijs is tevens voorzien het afsluiten van de leidingen van de aanwezige gasbronnen. <- terug

Risicomodel

  1. Er wordt wel eens als kritiek geuit dat het risicomodel kans op kans stapelt, met als gevolg dat het risicobedrag te hoog wordt ingeschat. Is dat juist ?
    Nee, dit is een onjuiste veronderstelling. Het tegendeel is eerder het geval. De probabilistische methode geeft door toepassing van foutenbomen juist inzicht in de onderlinge relatie tussen de verschillende factoren. Deze factoren kunnen onafhankelijk van elkaar optreden of moeten juist gelijktijdig optreden om in de foutenboom een effect te hebben. Van ‘stapeling‘ met als gevolg prijsopdrijving is dan ook geen sprake. Er is bij het definiëren van maatgevende gebeurtenissen ook rekening gehouden met het voorkomen van "‘dubbeltellingen". Er worden drie maatgevende gebeurtenissen onderscheiden:
    (1) het optreden van een grondwaterverontreiniging,
    (2) het ontstaan van een locaal defect aan de bovenafdichting en
    (3) de vervroegde vervanging van de bovenafdichting. Het is uiteraard zo dat als een locaal defect aan de bovenafdichting optreedt, die zou kunnen leiden tot het optreden van een grondwaterverontreiniging. De schade aan de bovenafdichting moet dan hersteld worden. Daarnaast moet de grondwaterverontreiniging opgeheven worden. Het herstel van de bovenafdichting en de herstelkosten van de grondwaterverontreiniging zijn derhalve twee afzonderlijke kostenposten, die beide meegenomen worden in het risicobedrag. <- terug
  2. Waarom is een indeling in termijnen in het risicomodel nodig?
    De indeling in termijnen is bedoeld om de tijdsafhankelijke factoren die leiden tot een maatgevende gebeurtenis goed te kunnen weergeven. Een voorbeeld daarvan is klink van het stortlichaam; klink zal in de begintijd van de nazorg optreden, maar daarna steeds minder worden. Zodoende zal in de opeenvolgende termijnen het effect van onvoldoende zettingsmetingen en inspecties in de foutenboom dan ook afnemen. <- terug
  3. Een maatgevende gebeurtenis kan tijdens de nazorgfase meerdere keren optreden. Mogen de herstelkosten hiervan dan bij elkaar worden opgeteld?
    Ja, de herstelkosten gelden voor iedere maatgevende gebeurtenis afzonderlijk. Zo wordt in de indicatieve berekening voor herstelkosten van een grondwaterverontreiniging uitgegaan van een herstelperiode van vijf jaar (zie bijlage 7, exploitatieperiode van een onttrekking en zuiveringsinstallatie). Daarna kan deze gebeurtenis zich nogmaals (elders) op de stortplaats voordoen. Uiteraard wordt wel rekening gehouden met kapitalisatie van de herstelkosten. <- terug
  4. Er is sprake van externe factoren waarop de huidige stortplaatsexploitant nu geen invloed kan uitoefenen. Is het reëel dit in het risicomodel op te nemen?
    Het risicomodel gaat uit van een bepaald basisniveau dat vooraf door alle partijen wordt vastgesteld. Enkele voorbeelden:
    - Onvoldoende inspecties van de bovenafdichting kunnen resulteren in het niet tijdig waarnemen van een beschadiging. Hieronder wordt verstaan dat de in het nazorgplan beschreven inspecties wel volgens het nazorgplan worden uitgevoerd maar onvoldoende blijken te zijn. Dit in tegenstelling tot de situatie waarbij minder (of andere) inspecties plaatsvinden dan in het nazorgplan beschreven. Deze risicofactor wordt door de nazorgverantwoordelijke zelf veroorzaakt, en wordt dan ook niet meegenomen in het risicomodel.
    - Een te lage monsternamefrequentie kan leiden tot te late signalering van een grondwaterverontreiniging. Ook hier geldt dat een monitoringsplan ten grondslag ligt aan de monsternamefrequentie, en dat met "‘te laag" wordt bedoeld dat in het monitoringsplan een te lage frequentie is beschreven. Externe factoren (bijvoorbeeld als gevolg van de inrichting van het terrein) waarop de exploitant voorafgaand aan de nazorg geen invloed kan uitoefenen, zijn in het risicomodel niet meegenomen.
    <- terug
  5. Als een nazorgorganisatie faalt in de uitvoering is deze toch ook verantwoordelijk voor de kosten die daarvan een gevolg zijn ?
    Het is juist dat een falende uitvoering van de nazorg ten laste van de nazorgorganisatie komt. De opzet van de foutenbomen is zodanig dat risico's ten gevolge van falende uitvoering van de nazorg juist worden uitgesloten. Uitgangspunt voor de inschatting van de faalkansen is een goed beheer van de stortplaats in de nazorg, op basis van het nazorgplan (basis voor uitvoering van de nazorg). <- terug
  6. De grens tussen risico's en reguliere werkzaamheden is niet helder. Een aantal activiteiten zijn zowel bij reguliere activiteiten als onder de risico's terug te vinden, terwijl goede uitvoering van de reguliere werkzaamheden zou moeten betekenen dat het risico naar nihil neigt.
    Een goede uitvoering van de reguliere nazorgactiviteiten sluit risico's niet uit. Het regulier nazorgprogramma en het nazorgbudget worden gebaseerd op de toestand en inrichting van de stortplaats bij sluiting.
    Binnen dit nazorgprogramma bestaan onzekerheden (prijs, kennis- en meetonzekerheden); om deze onzekerheden op te kunnen vangen wordt gewerkt met prijsbandbreedtes en een post "onvoorzien".
    Buiten dit nazorgprogramma bestaat het risico dat wijzigingen in het nazorgprogramma (extra maatregelen) van het stort noodzakelijk blijken (planonzekerheid en bijzondere gebeurtenissen). Dit risico wordt verrekend in een risico-opslag. Een criterium hiervoor is: voor de nazorgperiode wordt de mogelijkheid voor de extra voorzieningen of maatregelen wel onderkend, maar het is dusdanig onzeker of die voorzieningen of maatregelen ook getroffen moeten worden dat er niet structureel in het regulier nazorgprogramma rekening mee wordt gehouden. Opname in een risico-opslag betekent dat met de mogelijkheid rekening wordt gehouden, maar slechts met een bepaalde kans van optreden. <- terug
  7. Is onvoldoende drooglegging ook een maatgevende gebeurtenis waarvoor een risicobedrag gereserveerd moet worden?
    Als er tijdens de exploitatie sprake is van onvoldoende drooglegging dan is dat op het moment van overdracht van de stortplaats aan de nazorgorganisatie bekend. Bij het vaststellen van de reguliere nazorgkosten dient daar dan rekening mee te worden gehouden. Waar in het risicomodel rekening mee kan worden gehouden is de kans dat de drooglegging in de toekomst onvoldoende kan worden gewaarborgd waardoor contact kan ontstaan tussen het afval en het grondwater. In dat geval dient rekening te worden gehouden met het op termijn instellen van maatregelen. Gedacht kan worden aan een (beperkte) grondwateronttrekking, om daarmee te voorkomen dat uiteindelijk een grondwaterverontreiniging ontstaat. De maatregel komt er dan dus op neer dat door een preventieve grondwateronttrekking contact tussen afval en grondwater wordt voorkomen. Dit risico is via basiselement 109 opgenomen in de foutenboom die is opgesteld voor de maatgevende gebeurtenis "optreden van een grondwaterverontreiniging". <- terug
  8. Het risicomodel gaat over een periode van 100 jaar na aanvang van de nazorg. Het rekenmodel voor de nazorgkosten gaat uit van een periode van 1000 jaar. Waarom is er dit verschil?
    Het rekenmodel voor de nazorgkosten benadert met de periode van 1000 jaar vanuit financieel oogpunt het begrip "‘eeuwigdurend" zo goed mogelijk. Het risicomodel daarentegen hanteert een periode van 100 jaar om de complexiteit van het model in te perken en vanwege het feit dat de risico-inschatting een bepaalde mate van onnauwkeurigheid kent. De inschatting van de milieurisico's en de financiële gevolgen daarvan na 100 jaar vallen binnen de grenzen van de (on)nauwkeurigheid van het risicomodel. De financiële gevolgen (na kapitalisatie) van risico's na 100 jaar zijn derhalve niet relevant voor de vaststelling van het risicobedrag. Overigens wordt wel gerekend met kansen van bijvoorbeeld 1x/250 jaar of 1x/1000 jaar. Net als bij bijvoorbeeld overstromingsberekeningen van een rivier kan het immers voorkomen dat een gebeurtenis waarvan de kans eens per 1000 jaar is reeds over een paar jaar optreedt. <- terug
  9. In het risicomodel wordt rekening gehouden met locale reparaties aan de bovenafdichting. Dit is toch ook al opgenomen in de checklist?
    In de checklist worden locale (kleine) reparaties voorzien in de periode tot 15 jaar na aanleg van de bovenafdichting. In deze periode kunnen schades optreden als gevolg van aanlegfouten, klink/zetting, etc. Voor de periode daarna wordt in de checklist geen rekening meer gehouden met reparaties. In het risicomodel wordt juist uitgegaan van de kans op locale (kleine) reparaties in de periode na 15 jaar na aanleg van de bovenafdichting door middel van foutenboom 2. Vervroegde vervanging van de bovenafdichting (122) vindt niet plaats in de eerste 15 jaar na aanleg van de bovenafdichting, vanwege de gekozen berekeningsmethodiek voor vervroegde vervanging van de bovenafdichting (zie Handleiding, paragraaf 2.5). <- terug
  10. Is er voor geohydrologische isolatiesystemen een nieuwe foutenboom nodig?
    Een andere foutenboom is niet noodzakelijk, omdat in voorkomende gevallen sprake is van bodembeschermende voorzieningen, zoals een cementbentonietwand en/of natuurlijke kleilaag. <- terug
  11. Waarom wordt in het risicomodel onderscheid gemaakt in drie typen onderafdichting, maar wordt voor de bovenafdichting uitgegaan van één uniforme afdichting?
    Voor de risicobenadering voor wat betreft het ontstaan van een grondwaterverontreiniging is het type onderafdichting in hoge mate bepalend: is er wel of geen onderafdichting aanwezig, en is deze enkelvoudig of als combinatie-afdichting aanwezig. Dit onderscheid wordt in het risicomodel dan ook gemaakt. De bovenafdichting voldoet bij aanvang van de nazorg in beginsel aan de gestelde eisen. Indien de bovenafdichting niet aan de eisen voldoet, kan hiermee in de reguliere nazorgkosten reeds rekening worden gehouden (bijvoorbeeld door een reservering voor vervroegde vervanging). Verder is bij de bovenafdichting inspectie en reparatie mogelijk. Derhalve is voor het ontstaan van een grondwaterverontreiniging de bovenafdichting niet de direct bepalende factor, en is een verdere onderverdeling in diverse typen bovenafdichting bij deze foutenboom niet noodzakelijk. <- terug
  12. In de checklist wordt de mogelijkheid aangegeven tot vervroegde vervanging van de bovenafdichting. Dit is ook in het risicomodel het geval. Is dit dan een dubbeltelling?
    Nee. Zodra in de reguliere nazorgkosten (op basis van de checklist) sprake is van vervroegde vervanging, dan is dit gebaseerd op thans bekende feiten. Bijvoorbeeld dat de kwaliteit bij aanleg door extreme weersomstandigheden is beïnvloed en dat derhalve voorafgaande aan de overdracht al bekend is dat vervroegde vervanging moet plaatsvinden. In het risicomodel wordt gerekend met de kans op vervroegde vervanging als gevolg van, voorafgaande aan de overdracht, nog onbekende factoren die ondanks de verwachte levensduur alsnog tot vervroegde vervanging kunnen leiden. Gedacht kan worden fysische, chemische of biologische aantasting waarvan thans onvoldoende praktijkgegevens (ervaring) bekend zijn. <- terug
  13. Waarop is de vervroegde vervanging van de bovenafdichting (na 80% van de levensduur) is gebaseerd en op welke wijze dient hiermee gerekend dient te worden?
    De termijn waarop vervroegde vervanging moet plaatsvinden kan door gebrek aan kennis en ervaring eenvoudigweg nog niet worden onderbouwd. Derhalve is een conservatieve aanname (na 80% van de levensduur) gedaan om te komen tot een invulling van het begrip vervroegde vervanging. <- terug
  14. Indien standaard gerekend wordt met een vervroegde vervanging van de bovenafdichting lijkt het redelijk ook rekening te houden met het
    "positieve risico" dat de bovenafdichting een levensduur van 50 a 80 jaar heeft.

    Er is sprake van de bepaling van het financiële risico dat een nazorgorganisatie heeft bij overname van de stortplaats ten behoeve van de nazorg. Het risicobedrag wordt dus gereserveerd op basis van tegenvallende kosten, gericht op voorkóming van budgetoverschrijding. Risicobedrag-reserveringen op basis van meevallende kosten zijn niet gebruikelijk. De nazorgregeling bodembescherming, artikel 15.45 Wet milieubeheer, gaat nadrukkelijk uit van een kapitaaldekkend systeem. Met andere woorden: via het op te brengen doelvermogen moeten alle tijdens de nazorgfase te maken kosten, ook het eventueel optreden van minder gunstige risico-scenario's dan nu gehanteerd, kunnen worden betaald. Daarbij dient nadrukkelijk ook rekening te worden gehouden met voorzienbare risico's. Door op voorhand reeds uit te gaan van eventuele meevallers wordt het (financiële) risico volledig bij de nazorgorganisatie gelegd. Immers, nadat de provincie een stortplaats na afgifte van de in artikel 8.47, derde lid Wet milieubeheer bedoelde sluitingsverklaring heeft overgenomen, kan de nazorgorganisatie eventueel in de nazorgfase alsnog aan het licht komende gebreken, dan wel kosten gemoeid met voortijdig (technisch) falen, dan wel het eventueel tegenvallen van de omvang van een eventuele verontreiniging niet meer verhalen op de voormalige exploitant/vergunninghouder. De nazorgorganisatie zal dan zelf de alsdan extra te maken kosten moeten opbrengen. Door de benadering zoals neergelegd in de gestelde vraag wordt dat risico door exploitant/ vergunninghouder dus volledig op de nazorgorganisatie afgewenteld. Daarvan kan naar het oordeel van IPO uiteraard geen sprake zijn, dit mede ook gelet op het gestelde in de nazorgregeling Wet milieubeheer. <- terug
  15. Waarom wordt uitgegaan van een risico-afdekking van 95%?
    Doordat de invoer van het model uit verdelingen bestaat, vormt ook de uitvoer, het risicobedrag, een verdeling. Het risicobedrag dat uiteindelijk gereserveerd zal worden is afhankelijk van hoever men het risico wil afdekken. Omdat het risico van nazorg eenzijdig bij de provincies "ligt" gaat het IPO er van uit het risico op iedere locatie voor 95% af te dekken. Dit betekent dat de 95-percentielwaarde van de verdeling van het risicobedrag het te reserveren risicobedrag vormt. Deze 95-percentielwaarde, die overigens ook veelvuldig in de civiele techniek wordt toegepast, wordt door het risicomodel berekend. Indien hiervoor bestuurlijk draagvlak bestaat, kan met gegronde redenen hiervan worden afgeweken. <- terug
  16. Zijn er vergelijkbare berekeningen uitgevoerd bij stortplaatsen en kunnen de gegevens hiervan voor iedere stortplaats worden gebruikt?
    Gegevens voor één stortplaats zijn bewust niet verstrekt om te voorkomen dat deze (locatiespecifieke) gegevens als een soort ‘"standaard" waarden gehanteerd gaan worden. De inzet van expertise wordt gevraagd voor het inschatten van faalkansen met inachtname van het voorzieningenniveau van de stortplaats. Om uniformiteit en objectiviteit te waarborgen kan een database van faalkansen (met afzonderlijke toelichting) worden opgezet, en/of een werkgroep van experts worden ingezet om faalkansbereiken te bepalen.   <- terug
  17. Hoe komen de uitkomsten van het risicomodel tot stand?
    Het model en de daarbij gebruikte software zijn uitgebreid toegelicht in Toelichting en Handleiding. Verder wordt de methodiek en software in tal van vakgebieden op vergelijkbare wijze toegepast. Graag verwijzen wij daarvoor naar de literatuurlijst in de Handleiding en naar het ‘Handboek Bodemsaneringstechnieken, bijlage J1.4, Opzet risicoanalyse/ faalkansanalyse (SDU, juli 2000). De toelichting en handleiding geven samen met de literatuurverwijzingen volledige informatie over de toegepaste methodiek. <- terug
  18. Is het juist dat de uitkomsten voor het risico-onderdeel in het doelvermogen per locatie verschillend zijn ?
    In het algemeen zal het zo zijn dat risico's uiteenlopen. Dit is inherent aan de locatiespecifieke benadering. Het risicobedrag is afhankelijk van de inschattingen van de faalkansen in relatie tot het voorzieningenniveau en de kans op het optreden van gebeurtenissen als vervroegde vervanging. <- terug
  19. Waar is het programma @RISK 4.5 te verkrijgen?
    Het programma is verkrijgbaar bij Palisade Europe Inc., op de webpagina www.palisade.com/risk/ . <- terug
  20. Mag een locatiespecifieke berekening van de herstelkosten worden toegepast?
    Ja, dat is immers de opzet van de methodiek. In bijlage 7 van het rapport "Berekening risicobedrag, de handleiding" is een standaard-methode weergegeven. Als er voor een specifieke locatie al een onderzoek, plan of geïnstalleerde maatregel is met een kostenraming, dan is het logisch deze te hanteren. <- terug
  21. Waarom wordt bij 1c (onbeheersbare verontreiniging) een bedrag van 5 miljoen gehanteerd? En kan deze gebeurtenis in bepaalde situaties buiten beschouwing worden gelaten (door de herstelkosten op 0 te zetten)?
    Met een "‘onbeheersbare" of beter gezegd "‘omvangrijke" grondwaterverontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die niet of pas in een laat stadium wordt gesignaleerd en dan dus al ver verspreid is. Gedacht kan worden aan een verontreiniging die pas aan het licht komt bij een stroomafwaarts gelegen waterwinning. De financiële consequenties daarvan kunnen divers van aard zijn, maar zijn op voorhand niet te berekenen. Vanwege dit niet inschatbare karakter is door IPO besloten in de Handleiding vast te houden aan één bedrag dat voor elke stortplaats zal worden gehanteerd. De uiteindelijke herstelkosten kunnen onder meer worden ingezet voor het uitvoeren van onderzoek, het voeren van juridische procedures (o.a. onteigening, aansprakelijkheid), het ontwerp en uitvoeren van omvangrijke sanerende maatregelen, schadevergoedingen, etc. Het verschil tussen deze onbeheersbare gebeurtenis en het optreden van een beheersbare grondwaterverontreiniging wordt gevormd door het verschil in het tijdstip van signaleren van een verontreiniging (berekend door de basiselementen 113 t/m 118 van de foutenboom). Tussen beide gebeurtenissen zit dus een verschil in faalmechanisme en daarmee is het niet reëel om bijvoorbeeld de omvangrijke (onbeheersbare) grondwaterverontreiniging ‘op 0 te zetten door geen bedrag voor de herstelkosten in te voeren. Er zal immers altijd een kans zijn (hoe klein ook) dat een verontreiniging niet wordt opgemerkt. <- terug
  22. Graag een nadere uitleg over beheersbare en onbeheersbare verontreiniging
    Ten behoeve van het risicomodel wordt er grofweg vanuit gegaan dat er twee verschillende ‘typen grondwaterverontreiniging kunnen optreden:
    •  Een beheersbare grondwaterverontreiniging;
    •  Een onbeheersbare grondwaterverontreiniging.

    Met een beheersbare grondwaterverontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die tijdig wordt gesignaleerd. Sanerende maatregelen kunnen worden getroffen (en in de systematiek wordt ervan uitgegaan dat dit ook gebeurt) op het moment dat de omvang van de verontreiniging nog relatief gering is (niet ver van de stortplaats verwijderd). De herstelkosten, de kosten die in een dergelijke situatie daadwerkelijk benodigd zijn om sanerende maatregelen te treffen, zijn van een aantal factoren afhankelijk, bijvoorbeeld:
    •  De aard van de verontreinigende stoffen;
    •  De omvang van de verontreiniging;
    •  De locatie waar de verontreiniging is ontstaan;
    •  De geohydrologische omstandigheden (doorlatendheid, gradiënt, etc.);
    •  Eventueel reeds aanwezige beheersmaatregelen.

    Deze factoren zullen uiteindelijk bepalend zijn voor de saneringsmaatregelen die getroffen dienen te worden (aantal en locatie van onttrekkingsfilters, leidingwerk, zuiveringsinstallatie, etc.). De aard, omvang en locatie van een eventueel optredende verontreiniging zijn op voorhand niet aan te geven. Omtrent de geohydrologische situatie zijn in het algemeen op basis van verrichtonderzoek ter plaatse van een stortplaats wel voldoende gegevens bekend. En indien er reeds een beheersmaatregel aanwezig is, is het de vraag in hoeverre deze gebruikt kan worden voor het saneren van een optredende verontreiniging en welke levensduur de beheersmaatregel heeft. Gezien deze onzekerheden zal een aantal aannames gedaan moeten worden om toch een redelijke inschatting te kunnen maken van de herstelkosten. Daarbij is onderscheid gemaakt in de aan- dan wel afwezigheid van een beheersmaatregel, omdat een reeds aanwezig (en werkend) beheerssysteem doorgaans zal betekenen dat minder extra voorzieningen getroffen dienen te worden dan in de situatie waarin er in het geheel geen beheersmaatregel is. Zoals tevens is aangegeven in de handleiding wordt voor de berekening van de herstelkosten voor een vroegtijdig gesignaleerde grondwaterverontreiniging zonder reeds aanwezige (geohydrologische) beheersmaatregelen, uitgegaan van de aanwezigheid van een diffuse bron.

    Diffuse bron (in dit kader): een verontreiniging die wordt veroorzaakt door een algehele verslechtering van de grondwaterbeschermende voorzieningen. De verslechtering resulteert in een verontreinigingspluim die uittreedt over de gehele breedte (haaks op de stromingsrichting) van een stortplaats. Voor de berekening van de herstelkosten voor een vroegtijdig gesignaleerde grondwaterverontreiniging met reeds aanwezige (geohydrologische) beheersmaatregelen, wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een puntbron. Dit omdat er immers een grondwaterverontreiniging is die beheerst wordt.

    Puntbron (in dit kader): een verontreiniging veroorzaakt door een locale beschadiging van de grondwaterbeschermende voorzieningen. Aangenomen is dat deze puntbron resulteert in een verontreinigingspluim die uittreedt over 10% van de breedte (haaks op de stromingsrichting) van een stortplaats. De inschatting van de herstelkosten is, gezien de bovengenoemde onzekerheden, een schematische benadering. De herstelkosten kunnen worden berekend op basis van de beschikbare geohydrologische gegevens bij de stortplaats, indien deze gegevens daarvoor voldoende gedetailleerd zijn. Een indicatie van de berekening is gegeven in bijlage 7. Voor berekening van de herstelkosten wordt ervan uitgegaan dat de grondwaterverontreiniging door middel van een geohydrologisch scherm kan worden beheerst. Gegevens die maatgevend zijn voor de herstelkosten zijn:
    •  bodemopbouw en geohydrologische eenheden (freatisch water, eerste watervoerende
    •  pakket, scheidende lagen);
    •  doorlatendheid van de bodem en daaruit te relateren onttrekkingsdebiet;
    •  het benodigde aantal onttrekkingsfilters en de diepte daarvan;
    •  leidingen (bronleidingen en verzamelleidingen);
    •  investeringskosten onttrekkingssysteem
    •  huur zuiveringsinstallatie;
    •  exploitatiekosten van onttrekking en (tijdelijke) zuivering. Andere mogelijke berekeningswijzen voor de herstelkosten mogen worden toegepast, waarbij de schematische benadering als basis dient.

    Indien er op de betreffende stortplaats géén beheersmaatregel aanwezig is, dan hoeft in het risicomodel bij code 1b (grondwaterverontreiniging met aanwezigheid beheersmaatregelen) géén bedrag voor de herstelkosten ingevoerd te worden. Indien er wél een beheersmaatregel is, dient voor zowel code 1b (met aanwezigheid beheersmaatregel) als voor code 1a (zonder aanwezigheid beheersmaatregel) een bedrag voor de herstelkosten ingevoerd te worden. Dit omdat het mogelijk is dat een beheersmaatregel niet voldoende werkt of dat een maatregel een tijdelijk karakter heeft en vanaf een bepaald tijdstip niet meer gebruikt wordt of kan worden. Met deze aspecten dient men rekening te houden bij het invullen van de basiselementen 119, 120 en 121 in de verschillende te onderscheiden tijdstermijnen.

    Indien bijvoorbeeld wordt verwacht dat een geohydrologische beheersmaatregel vanaf termijn 4 niet meer beschikbaar of noodzakelijk is, dan dient men (zoals ook later in deze handleiding wordt toegelicht) bij de basiselementen 119 t/m 121 "‘0x/0 jaar" in te vullen. Het risicomodel is zodanig uitgevoerd dat gebeurtenis 1b (met aanwezigheid beheersmaatregel) dan niet meer optreedt. Gebeurtenis 1a kan dan uiteraard nog wel optreden.

    Een moeilijkheid doet zich voor in het geval er wel een beheersmaatregel aanwezig is, maar deze niet "dekkend" is voor de gehele stortplaats. Er zijn dan twee mogelijkheden voor verwerking in het risicomodel:
    1. De beheersmaatregel heeft een dermate klein bereik (bijvoorbeeld < 25%) dat het voordeel ervan nihil is op het moment dat zich een verontreiniging voordoet. Er dienen dan dezelfde aanvullende maatregelen genomen te worden als in de situatie waarin er géén beheersmaatregel aanwezig zou zijn. Er hoeft dan dus alleen een bedrag voor de herstelkosten te worden ingevuld bij code 1a (zonder aanwezigheid beheersmaatregel).
    2. De aanwezige beheersmaatregel kan zonodig worden ingezet om een deel van de verontreiniging op te vangen, maar is niet geheel "dekkend". In dit geval worden de twee delen afzonderlijk beschouwd: één deel waar geen beheersmaatregel aanwezig is en één deel waar wel een beheersmaatregel aanwezig is. Voor het deel waar geen beheersmaatregel aanwezig is worden de herstelkosten berekend op basis van een diffuse verontreiniging zoals eerder beschreven. Voor het deel waar wel een beheersmaatregel aanwezig is wordt bij de berekening van de herstelkosten gerekend met een puntbron met een verontreinigingspluim die uittreedt over 10% van de breedte (haaks op de stromingsrichting) van dit deel van de stortplaats.

    Het totaal van de herstelkosten dient in dit geval te worden ingevoerd bij code 1b (met aanwezigheid van beheersmaatregel).

    Voorbeeld:
    Een stortlocatie heeft een beheersmaatregel over een breedte van 600 meter. De totale breedte (haaks op de stromingsrichting) bedraagt 1000 meter. De herstelkosten worden gebaseerd op een deel waar geen beheersmaatregel aanwezig is op basis van een diffuse verontreiniging: 1000 - 600 = 400 meter. En een deel waar wel een beheersmaatregel aanwezig is met een breedte van 600 m. Daarbij wordt gerekend met een puntbron met een verontreinigingspluim die uittreedt over 10% van de breedte (haaks op de stromingsrichting) van dit deel van de stortplaats: 60 meter.

    Onbeheersbare grondwaterverontreiniging
    De herstelkosten voor een omvangrijke grondwaterverontreiniging worden op basis van eerder opgedane ervaringen (bepaling risicobedrag bij de provincies Zuid-Holland en Gelderland) niet berekend. Daarvoor ontbreken de benodigde kentallen en moet een te groot aantal aannamen worden gedaan. Voor de herstelkosten van een onbeheersbare grondwaterverontreiniging: zie vraag 21. <- terug
  23. Op welke wijze kan bij de berekening van basiselement 208 (verontreiniging van grondwater) rekening worden gehouden met optredende NA processen (natural attenuation)?
    Door middel van het aanpassen van de faalkansen kan het optreden van NA-processen in het stortlichaam worden meegenomen. Het optreden van NA-processsen buiten het stortlichaam wordt niet meegenomen in het model (strijdig met de uitgangspunten van het Stortbesluit) . <- terug
  24. Welke typen grondwaterverontreiniging kunnen ontstaan als een stortplaats geen onderafdichting heeft, maar wel een grondwaterbeheersmaatregel?
    Bij een stortplaats zonder onderafdichting en een kritische ligging van het afval ten opzichte van het grondwater is de kans op het ontstaan van een grondwaterverontreiniging groter dan bij een stort waarbij wél een onderafdichting is aangebracht. Indien het model op basis van ingeschatte kansen een grondwaterverontreiniging simuleert, is vervolgens de vraag wat voor "type" verontreiniging dan ontstaat (zie het antwoord op vraag 22). Indien een beheersmaatregel voor 100% zou werken, is in het model ingebouwd dat een grondwaterverontreiniging zonder aanwezigheid van een beheersmaatregel niet optreedt. Een omvangrijke verontreiniging kan wel optreden, bijvoorbeeld omdat het analysepakket achteraf onvoldoende blijkt om een verontreiniging (en daarmee de verminderde werking van de beheersmaatregel) te traceren. Indien men alle faalkansen invult, gaat het risicomodel hier op de juiste wijze mee om. <- terug
  25. Het gevolg van de basiselementen die leiden tot lekkage bovenafdichting (204) en vervanging (109) is toch sterk afhankelijk van de omvang van de lekkage die op kan treden?
    Een kleine reparatie aan een bovenafdichting, waarbij de stortplaats gedurende een korte periode plaatselijk "open" ligt, zal inderdaad niet snel tot problemen leiden. Het inschatten van de faalkansen dient dan ook te worden uitgevoerd in het licht van het gevolg van het betreffende falen. <- terug